dimanche 2 juin 2019


Hoe zou het economisch 
verder kunnen gaan in de eurozone, 
neemt de (wereld)schuld onhoudbaar toe, moeten we rente gaan betalen over ons spaargeld.

Mijn uitstapje in mijn vorige blog naar de verkiezingen voor het EP, de politiek dus, is voorbij en ik peins weer over de economische ontwikkelingen in de eurozone.
Dit keer in plaats van een op bestaande cijfers gebaseerde terugblik gaan mijn overpeinzingen uit naar de toekomst
We leven in een wereld vol zorgen.
Vooral de klimaatveranderingen die volgens de klimaatactivisten binnen afzienbare tijd tot een vrijwel onbewoonbare wereld zouden leiden ten gevolge van rampen veroorzaakt door een temperatuurstijging tot meer dan 2% eind deze eeuw houden ons bezig.
Alles wordt aangewend om die stijging, veroorzaakt door CO2, te stoppen door de uitstoot van die CO2 tot 0% voor 2050 terug te brengen en te neutraliseren.
Maar in de ontwikkelingslanden, inclusief China en India, eist de economische ontwikkeling juist steeds meer zo goedkoop mogelijke energie.
Hoe hierin harmonie te vinden.
Maar er zijn meer problemen van uiterst ernstige aard.
Eind 2018 bedroeg de totale wereldschuld 247 biljoen (europees biljoen) dollar.
De jaarlijkse toename was 5% terwijl de wereld GDP groei slechts 3% bedroeg, zoals ik lees.
De schulden stijgen dus sneller dan de groei die ze moet bekostigen.
Op deze weg doorgaan zou de totale wereldschuld (staat, financieel, particulier en bedrijf) in het jaar 2050 een bedrag van 1150 biljoen dollar bedragen, zo lees ik in de vakpers.
Een enorm gevaar, zo denk ik,  voor de wereld economie en welvaart.


Een van de elementen in de eurozone economie (en overal) is het verschil tussen bedrag aan geld en waarde van dat bedrag.
Zo hebben wij bij het Gross Domestic Product dat zo langzamerhand niet meer het totale nationale inkomen weergeeft maar meer een soort objectieve meetlat is geworden waardoor andere gegevens eraan getoetst kunnen worden en zo een vergelijking mogelijk is tussen economische prestaties van de landen.
Maar de bedragen van dat GDP in opeenvolgende jaren geven niet de waarde ervan in die jaren aan.
De waarde ervan wordt bepaald door de geldontwaarding of de geld opwaardering in die jaren, oftewel door de inflatie of deflatie, de koopkracht.
Zo is er een verschil tussen het getal van het GDP als bruto bedrag en de berekende waarde ervan door de inflatie/deflatie mee te laten tellen.
Zo bereikt men vanuit het GDP het ware GDP, real GDP die dus de echte toestand (in koopkracht) aangeeft.
Twee GDP’s dus.

Maar de inflatie/deflatie berekening is een ingewikkelde procedure.
Want het is de prijsontwikkeling van alle producten waarbij rekening moet worden gehouden met het aantal malen verkoop ervan.
Levensmiddelen worden vaker gekocht en verbruikt dan auto’, t.v.’s of huizen.
Bovendien zijn er artikelen waar de verhouding aanbod/vraag (die ultiem de prijs bepaalt) zo snel omhoog en omlaag kan gaan (neem stookolie in een zachte of strenge winter periode) dat ze geen stabiel beeld opleveren.
Zo is er de core inflatie berekend over de “stabiele” artikelen die gebruikt wordt door de Centrale Banken om deze inflatie te berekenen en de “gewone” inflatie, de prijsverhogingen (of verlagingen) die de dagelijkse consument ervaart.
Beide kunnen behoorlijk van elkaar verschillen wat snel tot onbegrip kan leiden.

Vanuit de ontwikkeling van het GDP wordt de groei of krimp van de economie gemeten als percentage van dat GDP (en dus goed te vergelijken met de cijfers van andere landen) .
Dus zijn er ook twee groei/krimp percentages, de bruto groei en de reële groei, real growth, waarin de inflatie/deflatie is verwerkt.
Voor die berekening wordt vaak een “standaard” jaar gekozen en elk jaar het verschil in prijsontwikkeling ten opzichte van dat jaar bepaald als een index, de “deflator”.
De conclusie moet zijn dat er door deze ingewikkelde berekeningen van real GDP, real Growth en core inflation een foutmarge moet zijn.

De real growth/contraction van de totale economie is niet alleen zaligmakend.
De staat eist voor zich een percentage van dat GDP op voor staatszaken.
In de nationale begroting wordt een bedrag berekend dat de staat voor dat jaar nodig denkt te hebben om zijn taken uit te voeren.
Aan het einde van dat jaar (en gezien de complexiteit van de staatsboekhouding definitief vele maanden later) blijkt of de staat meer (of minder) heeft uitgegeven dan begroot.
Ook dat wordt uitgedrukt in een percentage van dat GDP, de maatstaf.
Er is een nul, een tekort (deficit) of een overschot (surplus) op die begroting als ruw bedrag.

Er bestaat dus de mogelijkheid dat de nationale economie gegroeid is maar dat de staat desondanks meer heeft uitgegeven dan oorspronkelijk begroot en meer dan de staat aan  belasting en heffingen (en verkoop van staatseigendommen) ontvangen heeft en er dus een verlies is.
Om dat verlies op te vangen moet de staat geld lenen en dus schulden maken.
Ook die schuld wordt (tezamen met de jaren ervoor opgelopen, schulden) uitgedrukt in een percentage van het GDP.

Zo worden met het GDP, de groei, deficit/surplus, staatsschuld, de financiële toestand van een land bepaald.

Natuurlijk zijn er veel meer getallen en bedragen die dat mede aangeven  en ook de welvaart en het welzijn van de bevolking: werkloosheid cijfers, handelsbalansen, de te betalen rentetarieven, gemiddeld en mediaan inkomsten, verdeling ervan over de bevolking, particuliere en bedrijfsschulden en bezittingen en nog veel meer.
Maar deze vier zijn het meest in het oog springend.

Voor het verleden zijn al deze gegevens bekend, in mijn overpeinzingen in de loop der jaren heb ik ze ook in tabellen laten zien.
Over 2018 worden nu steeds definitiever benaderingen ervan bekend.
Maar over 2019 en de jaren erna moeten we gissen.

De centrale banken, die de laatste tientallen jaren een ongekende invloed op de financiële markten, de economieën van de landen en de inkomens van de bevolkingen hebben uitgeoefend doen dat men hun “forward guidance” waarin ze hun monetaire politiek voor de toekomst uiteenzetten.
Het komt mij wel eens voor dat vooral de financiële markten, de beurzen, onmiddellijk reageren op uitspraken (of hun interpretatie ervan) van de Centrale Banken zoals uit koersschommelingen blijkt terwijl anderzijds de Centrale Banken op hun beurt onmiddellijk reageren op koerswisselingen op de financiële markten.
Over inflatie en de centrale banken heb ik in vorige blogs al mijn mening (voor wat die waard is) gegeven.
Hoe dan ook de 2% inflatie, nog altijd niet in zicht, (deze maand 1.2% op jaarbasis) nog steeds het doel waarnaar de CB’s streven om de prijsstabiliteit te garanderen.
Tot nu toe dus zonder resultaat maar wel gepaard met  het bijdrukken van biljoenen nieuw geld en daarmee immense leningen aan staten met uiterst lage of zelfs negatieve rentetarieven en dus het scheppen van enorme schulden.
Heeft het zin door te gaan met een dergelijke strategie van QE en lage renteoplegging als dat al die duur ervan niet helpt.

Schulden op zich zijn eigenlijk alleen riskant door de rente.
Alleen als men de rente niet meer kan opbrengen zonder zich essentiële zaken te ontzeggen zijn schulden een risico.
Door dus de rente op staatsleningen, staatsobligaties, en aan grote bedrijven bedrijfsobligaties) tot (bijna) 0% terug te brengen, (zoals nu al voor sommige leningen een feit is) haal je het gevaar uit die leningen.
Want als de looptijd van die obligaties verstreken is los je deze af met een nieuwe lening, eveneens voor (bijna) 0%.
In theorie kun je zelfs steeds meer leningen zo afsluiten en een schuld steeds verder laten oplopen zonder risico te lopen.
Zie bijvoorbeeld de opbouw/rente/looptijd van de aan Griekenland verstrekte leningen die tot in de verre toekomst lopen en zo de feitelijke situatie maskeren.
We zijn flink op weg om die situatie te bereiken.
Maar natuurlijk moeten er tegenover schulden evenveel assets zijn om een over all evenwicht tussen bezittingen en schulden te scheppen.
Maar zou dat het geval kunnen zijn?
Zou die opvatting over schulden niet snel kunnen leiden tot een onstuitbare inflatie door dat noodzakelijke evenwicht tussen assets en de waarde ervan.
Kunnen wij die eeuwen lang hebben geleefd met de wetenschap dat geld rente opbrengt geestelijk overgaan naar de gedachte dat het hebben van geld dat niet rechtstreeks geïnvesteerd is in de economie niet alleen door inflatie in waarde afneemt maar dat we daar zelfs een strafrente voor zouden moeten betalen.
Banken als inners van rente in plaats van betalers.
Alleen al de gedachte dat zoiets door groepen economen als toekomstig normaal kan worden gezien doet mijn hoofd duizelen.
Maar snel naar iets anders.
Ja, met een getallen overzicht, vervelend, maar getallen beheersen ons verleden, ons heden en ook onze toekomst.


Hieronder een simpel “what if” rekenmodelletje zonder toeters en bellen.
Het geeft één van de zeer vele mogelijkheden voor de ontwikkeling van de eurozone tot 2028, tien jaren dus.


 De parameters (groei,begrotingsgtekort,inflatie,rente kunnen per jaar ingesteld worden.
Ik heb gekozen voor de voorjaarsvoorspellingen Europese Commissie voor groei en begroting voor 2019 en 2020 en daarna een reële groei van 1.4%.
Bij de inflatie ben ik uitgegaan van de visie van de ECB van een inflatie van 2% na 2021 en daarvoor een lagere.
De lange termijn rente varieert per eurozone land maar lijkt me gemiddeld zo’n 1.5% te bedragen.
Zie hier beneden.
Met deze parameters berekent het model dan per jaar nominale GDP (=real GDP + inflatie), Staatsschuld, te betalen rente zonder en met de invloed van de inflatie.
Maar door de parameters te wijzigen wijzigen zich ook de getallen voor die jaren.
Helemaal onderaan de invloed van het rentepercentage op de te betalen rente, die aantoont wat een niet door de Centrale Bank beïnvloede maar risico bepaalde rente voor gevolg zou hebben.
(Nu: Duitsland negatieve 10 jaars obligaties rente, -0.2%, Griekenland betaalt 3.63% ervoor, Italië 2.76%. De USA betaalt 2.37% rente. Een voorbeeld wat dus de invloed van de Centrale Bank is. Daarom wil Trump (en de financiële markten) dat de FED de rente weer verlaagt).

Ik zucht, neem een pilsje en zoek de schaduw op.

jeudi 30 mai 2019


The elections for the European Parliament are over.

Dit keer mijn leken overpeinzingen in de Engelse taal.
Tenslotte ondanks een vrijwel zeker komend vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en Ierland in de toekomst als enige lidstaat met de Engelse taal als voertaal, is het Engels misschien daardoor des te meer de enige taal die in alle EU landen aanvaardbaar is als lingua franca.
En ik had het al overdacht in het Engels.
Maar volgende overpeinzingen gaan weer in het Nederlands.

The ponderings of a retired layman.

For me perhaps the most notable thing about the elections for the European Parliament was that the United Kingdom that should have left the EU on 29 May was nonetheless obliged to participate because no leave agreement has even now been reached and so its departure from the EU is delayed indefinitely (?) until the British Parliament votes in favour of one of the many options offered, none of which has been considered acceptable so far.
Or if other developments change this weird situation.
Till then they must fill their 58 seats in the EP.
A most unusual situation.

All in all I think it was not quite justified that the EP election was so much presented as confronting pro EU and anti EU voters, whereas, in my opinion, it should rather have been shown as a pro federal EU and on the other hand a pro independent states EU vote; more power centralized in Brussels or less.

The main results of the vote were that the customary majority of the Christian and Socialist Groups working together was broken and that in the coming five years a (steady) cooperation between three or more groups must be formed to reach a majority and that the sceptic EU minority has grown considerably but not enough to have real power.

The newly elected European Parliament will first elect their new President of the EP.

But according to the Lisbon Treaty which regulates the functioning of the EU the place occupied by the European Parliament in the EU picking order is (un)fairly  limited mainly to “yes or no”, though in practice far more influence has been acquired.

Far more important about  these elections, however, is that they lead to a complete reshuffle of the Positions of Power in the European Union.

The European Council, the Council of the Heads of State or Government  of the EU member states, which is the highest authority in the EU,  will after proper consultation and taking into account the election results of the EP propose a new President of the European Commission
This requires  a qualified majority (so no veto right).

The European Council will also by qualified majority choose a new High Representative of Security and Foreign Relations of the EU.

The members of the Commission will be chosen on their personal merits and positive attitude towards the EU, one national of each member state (unless the European Council decides otherwise).

The European Parliament will then vote to approve of the entire Commission, including the High Representative for Security, so not vote on individual prospective commissioners.

Apart from that on 30 November 2019 the present President of the European Council, Tusk, has reached the end of his term and a New EU President will have to be chosen by the European Council.

Furthermore, the President of the European Central Bank, Draghi, will end his term at the end of October this year and a new President will have to be appointed by the European Council.

Finally there is the ongoing Council of Ministers of the member states of varying composition in accordance with the subject dealt with and a President in rotation among the members.
Together with the newly elected European Parliament they approve or reject the draft bills  introduced by the Commission for legislation.

The commission is the only EU institution that is empowered to introduce proposals of legislation to the European Parliament.

All together the EU is an intricate and extremely bureaucratic construction of often overlapping competences, owing to the often vague and multi explicable wording of the Lisbon Treaty.

So, right now we are at the beginning of an extremely busy period of complicated lobbying, consultations and possible allocation of top functions in the EU which in the end can get the approval of the European Council (representing the member states), and in the case of the Commission, approval by  the European Parliament.

And, In view of the fact that all member states must feel adequately represented in the Commission and other EU institutions  a distribution of functions must be sought which will not cause an accumulation of power for one or more member states.

The preliminary suggestions have already started to circulate after the meeting of the European Council yesterday.

The European Union Institutions according to the Lisbon Treaty:

– The European Parliament,
– The European Council,    (heads of states + president of the commission, EU strategy, consensus)
– The Council,(ministerial level representatives of each state, varying composition )
– The (European) Commission (the excutive and overseeing branch)
- The Court of Justice of the European Union,
– The European Central Bank
– The Court of Auditors.
But  who are really in charge?

The European Council is in charge of the overall strategy but is hampered by the consensus system.
One member state can veto any proposal.
The Commission, with each Commissioner having their own field of competence, is the executive branch substantiating the European Councils strategy into draft bills for the European Parliament.
It also oversees the correct implementation of this legislation (regulations and directives) in the member states and has corrective powers in that respect.
In practice there seems to be a hint of competition between the two institutions, the main cause being the veto rights in the European Council.
The powers of the European Parliament are restricted to approving or voting down the Commission’s proposals and (informally) influencing or inducing  proposals.
Even when Parliament has passed a bill, the council of ministers can still withhold their consent and thus send a draft proposal back to the EP.
The EU, a complex and complicated construction designed over the years to cover the diverging requirements of its member states aiming at developing cohesion among them.

But all these are, of course, simply the incomplete and very personal ruminations of a retired amateur.

dimanche 19 mai 2019





Handel, Globalisering 
en 
Protectionisme.

Ik ban even de Brexit farce, de immigratie problemen, de Europese Parlement verkiezingen, de dreigende Iran crisis, en alles wat met die dingen te maken heeft, uit mijn gedachten en overpeins op mijn amateur wijze de steeds dreigender handelsoorlog.

Al meer dan een jaar dreigt een handelsoorlog tussen de USA en China waar andere landen en ook de EU tegen wil of dank ook bij betrokken worden.
Er wordt met wisselende kans op succes onderhandeld door de business man Trump en een diplomatiek denkende  Xi Ji ping.
Dan weer dreigen de besprekingen vast te lopen of zelfs te mislukken maar worden dan toch weer op verschillende niveaus hervat.

Maar tegen welke achtergrond kan ik dit vanuit mijn lekenblik zien als ik politieke factoren even vergeet.

De Europese Unie heeft al tijden een positieve handelsbalans.
Dat wil zeggen dat de waarde van de uitvoer uit de EU groter is dan die van de invoer.
Maar binnen de EU zelf is er een andere situatie, sommige lidstaten hebben een positieve handelsbalans met landen buiten de EU, andere een negatieve handelsbalans, zoals blijkt uit de statistiek onderaan dit blog.
Binnen de EU onderling, in de single market, zijn er ook verschillen. Er zijn lidstaten met een negatieve handelsbalans met andere lidstaten, of een juist een positieve.

De USA heeft al tijden lang een sterk negatieve handelsbalans.
Hij is sinds 2014 opgelopen tot per maand ongeveer 50 miljard dollar.
Veel te lang en veel te groot deficit volgens Trump.
Want daardoor blijft de Amerikaanse schuld aan het buitenland oplopen tot in de toekomst een failliet zou kunnen dreigen.
Daarom wil Trump de door zijn voorgangers afgesloten handelsovereenkomsten die volgens hem nadelig voor de USA zijn herzien.
Dat dit streven door de andere handelspartners niet wordt geapprecieerd zal duidelijk zijn.
Zo zie ik de achtergrond van de dreigende handelsoorlog, niet   alleen tussen de USA en China maar ook met de andere handelspartners.

Wij praten bij de wereldhandel over globalisering alsof die in werkelijkheid bestaat.
Natuurlijk, als je zegt dat goederen vanuit alle hoeken van de producerende wereld hun weg vinden naar andere hoeken tegen betaling klopt dat.
Maar dat gold ook in de oudheid voor de toen bekende delen van de wereld.
Maar als je bedoelt te zeggen dat die wereldhandel echt plaats vindt zonder beperkingen dan ben je aan het verkeerde adres, zo denk ik.
Want die handel moet aan een aantal voorwaarden voldoen en in de meeste gevallen worden er importheffingen opgelegd.
Handelsverdragen tussen landen of groepen landen regelen die handel vanuit alle hoeken van de aarde en voor de landen die lid zijn van de WTO, de Wereld Handel Organisatie, houdt die WTO toezicht op het min of meer eerlijk verlopen van die handel en behandelt klachten erover.
Die handel vindt plaats  om twee redenen, de goederen (of diensten) zijn in het land van ontvangst niet aanwezig  of ze zijn duurder dan in het land van oorsprong.
Dat leidt al direct tot de conclusie dat landen die zelf beschikken over alle of de meeste grondstoffen die voor hun economie nodig zijn een groot voordeel hebben.
Voor die grondstoffen zijn ze onafhankelijk van import en is het alleen een kwestie van productiekosten of import economisch voordeliger is dan eigen productie..
Dat is weer afhankelijk van loonkosten, productiviteit en innovatie, de productiekosten.
Daarin ligt ook de noodzaak voor importheffingen.
Want pas als het “speelveld” gelijk is, dus arbeid, lonen, grondstoffenbeschikbaarheid, sociale en belasting wetgeving en opleidingsniveau in alle landen hetzelfde zouden zijn is er in theorie een ideale situatie en spelen alleen vervoerskosten een rol.
Dat is echter een situatie die in de praktijk onbereikbaar is.

In samenhang met  dat handelsverkeer vindt er tezelfdertijd betalingsverkeer plaats.
In het geval dat een land in waarde van goederen en diensten meer importeert dan exporteert werkt het met verlies, dan zijn de handelsbalans en de erbij behorende betalingsbalans niet in evenwicht.
Dat wil zeggen dat de schulden aan het buitenland hoger zijn en cumulatief steeds hoger worden.
Blijft de handelsbalans en betalingsbalans gedurende  lange tijd negatief, dan kan zo’n land hoge schulden opbouwen aan andere landen en in betalingsproblemen komen.
Een ideale toestand zou dus zijn een toestand van evenwicht tussen uitvoer en invoer en die tracht men zoveel mogelijk te bereiken door handelsovereenkomsten tussen landen en groepen landen te sluiten.
Daarbij kunnen er echter ook winnaars en verliezers zijn.
Een toestand van zo kunstmatig bereikt zo groot mogelijk evenwicht tussen invoer en uitvoer waarbij de bovengenoemde factoren van grondstoffen en productiekosten (inclusief transport) de belangrijkste rol spelen.
Men moet daarbij wel in aanmerking nemen dat een positieve handelsbalans niet persé een grotere welvaart voor de bevolking betekent.
Door bijvoorbeeld indien nodig de lonen laag te houden kan een land de productiekosten drukken en zo zijn concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland verbeteren en een positieve handelsbalans bereiken maar ten koste van een lagere welvaart van de inwoners.

In mijn vorige overpeinzingen heb ik de toestand van de EU landen in cijfers over het afgelopen 2018 weergegeven, dus gebaseerd op de werkelijkheid.
Hieronder de cijfers over het lopende jaar en 2020 dus voorspellingen gebaseerd op de uitkomsten van de rekenmodellen van de EU, op de verwachtingen voor dit jaar en het volgende dus.


De rood aangegeven getallen geven naar mijn mening  een ondergemiddelde of te lage waarde dan gewenst.
Sorry dat het vanaf Polen wat in miniatuur is uitgevallen.
De conclusies laat ik, zoals altijd, in het midden.
En, zoals altijd, zijn dit alleen maar de overpeinzingen van een gepensioneerde belangstellende.

lundi 6 mai 2019


Hoe gaat het met de Europese Unie en 
de Eurozone

Met de Brexit als vrijwel ongrijpbaar spook boven de Europese Unie;
met dan weer minder dan weer meer dreigende handelsoorlogen;
met prognoses als een boksbal heen en weer geslingerd tussen geringere groei of erger en dan weer een kleine opleving;
met de vrees voor een haperende economie bij de motor van de EU, Duitsland;
met steeds verder groeiende staatsschulden;
terwijl de Centrale Banken behalve kritiek nu ook aan invloed dreigen te worden onderworpen door benoeming strategieën,
terwijl de financiële markten de manoeuvres en halve uitspraken van die Centrale Banken op de voet en op de koers volgen;
terwijl de Europese Parlement verkiezingen die zullen leiden tot een nieuwe Europese Commissie over minder dan drie weken plaats zullen vinden met een dreigend groeiende populariteit van min of meer EU kritische partijen, en daarbij de bestaande EU perikelen blijven voortbestaan;
terwijl milieu vervuiling en opwarming van de aarde volgens de klimaat aktivisten en jongeren bewegingen tot een ultieme reddingspoging van onze aarde nopen;
terwijl de kloof tussen groot verdieners en arbeidsafhankelijken, mede door de politiek van de Centrale Banken, ongrijpbaar blijft toenemen;
terwijl het invoeren van een eurozonebudget stuit op bezwaren van de noordelijke lidstaten en onzekerheid wat betreft grootte, bestemming en financiering en het gevaar dat het kan leiden tot een “transfer unie”;
…………….en zo is het voor een gepensioneerde amateur nauwelijks mogelijk rustig de gebeurtenissen te overpeinzen zonder bezorgde gevoelens en hoofdpijn.

De plaatselijke verkiezingen in Groot Brittannië hebben aangetoond dat de bevolking inderdaad de buik vol heeft van de Brexit chaos en de twee grote partijen erin zwaar heeft afgestraft.
Zowel de Tories als Labour hebben zware verliezen geleden en Liberal Democrats en Independents hebben daardoor veel councillors gewonnen.
Die winst laat duidelijk zien dat om een protest tegen Tories en Labour gaat.
Veel alternatieve keus is er niet want het VK telt slechts enkele partijen
De nieuwe Farage Brexit beweging heeft niet aan de locale verkiezingen meegedaan maar neemt wel aan de (mogelijke) EP verkiezingen deel en scoort in de peilingen bijzonder hoog voor die verkiezingen.
May’s positie als Prime Minister wordt steeds geïsoleerder, maar ze gaat (schijnbaar) onverstoord door met onderhandelen over de Brexit (douane unie?) met Corbyn, de Labour leider, tot groot ongenoegen van Tories en Labour aanhangers.
De uitkomst van de Brexit?
Wordt  een mogelijk komend May/Corbyn plan aan het parlement voorgelegd en zou dat kunnen worden aangenomen als laatste noodsprong om een “full leaving” te voorkomen?
Komt er een tijdelijke “customs union”, blijvend als Labour de volgende verkiezingen wint en gestopt als de Tories de verkiezingen winnen?
Politieke spelletjes.
Gooit May toch min of meer gedwongen toch de handdoek in de ring en komt er een nieuwe Prime Minister met andere ideeën?
Een tweede referendum over het mogelijke May/Corbyn Brexit plan?
En dat zou de EU moeten slikken.
Geen wonder dat de gewone burger het meer dan beu is.
Uitstel op uitstel tot de zaak verwatert?
Komt er wellicht na de Europarlementsverkiezingen een voor het VK gunstiger koers van de Europese Unie en worden zo de redenen voor een uittreden achterhaald?
Nobody knows.

De voorlopige cijfers over het wel en wee van de EU en eurozone in 2018 komen nu langzamerhand beschikbaar.
En cijfers geven aan wat woorden alleen niet kunnen, de gezondheid toestand van de EU en Eurozone.
Ik heb uit Eurostat de gegevens opgezocht voor de hier onderstaande tabellen.



In de linker tabel de niet eurolanden van de EU (zonder het VK).
In de rechter tabel gegevens van de eurozone landen.
De begrotingstekorten/overschotten, het percentage staatsschuld t.o.v. het Bruto Binnenlands Product (GDP), het percentage groei van het BBP, en tenslotte het BBP per persoon.
Dat laatste omdat het beter het welvaartsniveau van het land ten opzichte van de andere aangeeft, wat het gewone BBP niet doet.
Denk erom dat het niet de verdeling van die welvaart binnen de bevolking aangeeft.
Dat heb ik in overpeinzingen van enige tijd geleden al gedaan.
Het is duidelijk dat de in het Verdrag van Lissabon (2007) voorspelde convergentie niet tot stand is gekomen.
De verschillen tussen de lidstaten zijn te aanzienlijk om van homogene economieën te spreken, zoals voor een monetaire unie een voorwaarde is.
Ach, ik hoef er verder niet over na te denken, de cijfers spreken voor zich.

In de USA lijken de democraten meer aan het wegwerken van Trump te denken dan aan het besturen van de USA en zouden alle (tot nu toe) twintig democratische presidentskandidaten 2020 moeten oproepen tot het afzetten van Trump.
Desondanks gaat het best goed met de USA economie.
De belastingverlagingen door Trump doorgevoerd lijken vrucht te dragen, de economische groei bedraagt 3.2% op jaarbasis in het eerste kwartaal 2019, ondanks de shutdown van de overheid, lonen stegen met 3.3%, er werden  in  maart 196.000  nieuwe banen gecreëerd, er is nog slechts 3.6% werkloosheid, de rente is 2.5%.
Maar de inkomens kloof tussen goedverdieners en de middenmoot wordt wel nog steeds groter
Vergelijk dat met de EU en Eurozone.

De inflatie is er echter niet gestegen en blijft in de wereldeconomie (behalve in een aantal landen waar juist hyperinflatie dreigt) maar hardnekkig beneden de gewenste 2%, hetgeen de FED (en ook andere centrale banken) zorgen baart, want, zoals ik al vaak heb geschreven, 2% inflatie is het doel waarnaar wij streven, ons grote ideaal.
Waarom wil die inflatie dan toch niet naar 2%
Niemand weet het, ook de Centrale Banken niet.

En, heel voorzichtig overdenk ik dat extra geld scheppen en de rente onnatuurlijk laag houden de eurozone desondanks niet goed genoeg heeft laten groeien terwijl belasting verlagingen in de USA wel extra groei brengen;
fiscale politiek versus monetaire politiek.

Maar de schuldenberg blijft in de USA wel extra groeien.
Zal de tijd ooit komen dat de begrotingen met een surplus eindigen en zo de schulden reduceren of zullen ingrepen zoals de Modern Monetary Theory zou willen doorvoeren de oplossing bieden.

Voor de komende  (EP) EU parlementsverkiezingen is er een nationale stemwijzer.
Maar in het Euro Parlement komen de nationale landelijke partijen bij elkaar in EU “groepen” en zijn daar dus onderhevig aan de partijdiscipline en programma van die groep en zijn niet zelfstandig zoals in eigen land.
Zo komen bijvoorbeeld VVD en D66 beide in de ALDE groep in het EU parlement, hoogstwaarschijnlijk samen met Macron’s RépubliqueEnMarche partij.
De Alde groep heeft een eigen programma dat sterk kan afwijken van de programma’s van de nationale partijen die in Alde samenkomen.
Het is dus veel zinniger bij het stemmen voor het EP te weten wat het Alde programma is dan af te gaan op VVD of D66 programma’s, zo overpeins ik.
Zo zijn er in het Europees Parlement de volgende grote partijen: EEP (Christian Democrats), S&D (socialists), ALDI (liberals and democrats), GUE (European United Left).
Voor al die groepen geldt hetzelfde als voor de ALDE.
De nationale programma’s onderworpen aan de Europese groepen programma’s.
Zo kan voorkeur in het EP anders uitpakken dan in het nationale parlement.
Moeilijk maar waar.

Maar dit alles zijn alweer alleen maar de misschien wat warrige gedachtenspinsels van een oudgediende-niet-expert (die dus volgens sommige groepen hoogopgeleide wetenschappers zich moet neerleggen bij de consensus en niet zelf mag nadenken en een andere mening hebben).





jeudi 18 avril 2019


Consensus, Twijfel, Geloof, Onafhankelijkheid

Is de aard van de mens echt veranderd sinds de middeleeuwen?

De Brexit is als een soap, steeds nieuwe afleveringen zonder eind in zicht.
Hij laat echter wel zien hoever elite en bevolking uit elkaar zijn gegroeid.

In de ochtend zie ik de zon opkomen in het oosten, ik zie hem om de aarde draaien en tenslotte in het westen ondergaan.
De zon draait dus om de aarde, dat is een waarneming, een feit.
Niemand kon het ontkennen.
Tot Galilei door zijn nieuwe telescoop zag dat Copernicus gelijk had en dat, om het simpel te zeggen, niet de aarde  het centrum van het zonnestelsel is maar de zon.
De consensus onder wetenschappers en het geloof van de kerk was daarentegen dat, zoals je elke dag kunt zien, de zon om de aarde draaide en dat de aarde het centrum van het heelal was.
Tenslotte moest Galilei vanwege deze ketterij om zijn vege lijf te redden en de Inquisitie te ontgaan zwijgen en kreeg huisarrest.
Maar de wetenschap zocht voort en aanvaardde tenslotte het gelijk van Galilei, het heliocentrisme (de zon als middelpunt van ons zonnestelsel).

Consensus is geen bewijs, zo denk ik, in de wetenschappen.
Wetenschap is niet statisch maar dynamisch en verdraagt kritiek.
In feite is een theorie pas valide als hij gereproduceerd kan worden en niet weerlegd kan worden zegt Popper.
Een geloof daarentegen kan geen kritiek verdragen want geloof  is het absolute aanvaarden van iets, het in twijfel trekken hiervan is dat geloof aantasten en dus onaanvaardbaar.

Althans zo heb ik het vroeger onderwezen gekregen.

De Centrale Banken zijn onafhankelijk.
Maar is de benoeming van de leden dat.
En is onafhankelijk synoniem met neutraal.
Natuurlijk niet want zij zijn juist nodig om beslissingen te nemen geholpen door hun gesofistikeerde rekenmodellen en daarover uitleg te verschaffen.
Beslissingen zijn niet neutraal want ze zijn een keuze uit mogelijkheden.


Trump (maar niet alleen hij) heeft kritiek geuit op die monetaire beslissingen omdat hij ze niet vindt passen in zijn fiscale politiek.
Trump is niet de enige, ook in de eurozone is er wel kritiek op de beslissingen van de ECB.
Komt daardoor de onafhankelijkheid van de Centrale Banken in gevaar, zoals ik wel lees.
Waarom? Kritiek is niet synoniem aan invloed.

De ECB heeft evenzeer ook van zijn kant kritiek op de fiscale politiek van de lidstaten.
De eurolidstaten zijn nu juist wat de fiscale politiek betreft zelfstandig binnen de 3 en 60 procent grenzen volgens het verdrag van Lissabon en daarin onafhankelijk van de ECB.
Die heeft dus in theorie niets te maken met die fiscale politiek.

Het probleem is echter dat je monetaire politiek niet los kan zien van de fiscale politiek.
De een kan niet zonder de ander, de ander kan niet zonder de een.

Zo kan het zijn dat in de VS Trump de belastingen verlaagt om de  koopkracht te verhogen en zo de echte economie te stimuleren terwijl de FED juist de rente verhoogt en geld uit de circulatie haalt hetgeen een tegenovergesteld effect heeft.
Inmiddels heeft de FED dat beleid weer bijgesteld (maar of dat nu door Trump komt of door de rekenmodellen is een open vraag).

Er is de Staat, het Kapitaal, (de ondernemingen met hun aandeelhouders) en de Arbeid, (de werknemers en robot(achtigen).
Ze hebben een gemeenschappelijk belang, ook hier kan de een niet zonder de ander.
Maar het is de verdeling van de opbrengst van dat gemeenschappelijk belang dat de onderlinge verhoudingen bepaalt.
De laatste tientallen jaren is die verhouding steeds verder scheef gegroeid naar het Kapitaal waarbij de Arbeid achterbleef.

Voor mij is daarbij de inflatie de centrale twistappel.

In een vorig blog heb ik het al gehad over de soorten inflatie
De CB’s zien, zo denk ik, de core inflatie als de thermometer van de economie.
Zoals de lichaamstemperatuur zo’n 37% C moet bedragen anders is er iets mis, zo moet de inflatie zo’n 2% bedragen en dan is het in orde met de economie.
Dus moeten de CB’s,  zo is de theorie, die inflatie zo dicht mogelijk bij die 2% houden.
Dat doen ze door hun rentewapen.
Raakt de economie oververhit dan loopt de inflatie op naar zeg 3.5% en dan grijpen de CB’s is, ze verhogen de rentestand, geld lenen wordt daardoor duurder, de economische activiteit loopt wat terug en de inflatie zakt naar 2% terug.
Is er een recessie dan daalt de inflatie onder de 2% en kan er zelfs deflatie optreden.
De CB’s verlagen de rente en voila, er wordt meer geleend want dat is spotgoedkoop, daardoor investeren de bedrijven meer, nemen meer personeel aan, de lonen stijgen omdat er meer personeel nodig is, de economie trekt aan en de inflatie stijgt naar 2%.
De economie is weer gezond.

Maar werkt dat echt zo?

Sinds 2008 heeft  de inflatie in de eurozone ondanks de lage en 0 rentetarief stand nimmer 2%  bereikt.
(in maart jl: Portugal 0.8% inflatie op jaarbasis  Nederland 2.9%, Eurozone totaal 1.4%.
Baseer daar nu een objectief rentetarief beslissing op).
De basisrente van de ECB is van zo’n 4% in  2008 constant gedaald tot 0% sinds 2015.
De groei is behalve in 2011 en 2018 (bijna 3%) steeds lager dan 2% geweest.
De prognoses (vrijwel maandelijks bijgesteld naar beneden) wijzen voor zover ze betrouwbaar zijn naar een verdere daling van de groei.

Bovendien zijn er sinds 2015 door de ECB 2.55 biljoen euro’s bijgedrukt en in omloop gebracht om obligaties van lidstaten en grote bedrijven op te kopen.

De staatsschuld van de eurolidstaten in 2008 (net voor de Lehmann crisis toesloeg) bedroeg 68.7 % van hun Bruto Binnenlands Product, slechts 8.7% boven het toegestane maximum in de EU van 60%.
In 2014 was dat gestegen tot 91.6% en nu weer gedaald tot 86.1%, dus 26.1% hoger dan dat maximum van 60%.
In euro’s was de eurozone schuld in 2008 ongeveer 6.7 biljoen euro’s, nu 9.6 biljoen.
Dat maakt de ruimte voor verdere leningen voor noodzakelijke innovatie erg krap.

Is de situatie van de eurozone sinds 2008 dan beter geworden?
Wel, de eurozone is in ieder geval bijeen gebleven.

Door die lage rente zijn er in mijn lekenblik twee opvallende bijwerkingen geweest: een zware klap voor spaarders en instellingen (zoals pensioenfondsen) die van rente afhankelijk zijn en een voordeel voor grote ondernemingen die van de lage rente profiteren, daardoor hogere winsten behaalden en dividenden uitkeerden.
Daarnaast werden door grote bedrijven veel andere bedrijven opgekocht met goedkoop geleend geld waardoor semi monopolie situaties ontstonden, waardoor weer lonen laag gehouden konden worden en werden op grote schaal door grote bedrijven eigen aandelen opgekocht met die lage rente leningen.
Dat heeft dus bijgedragen aan de steeds grotere ongelijkheid in inkomens.

Hier zie ik ook een consensus: vrijwel alle centrale banken hebben dezelfde lijn gevolgd, als belangrijkste de FED, de BOJ (Japan) en de ECB, de Europese Centrale Bank.

Er zijn echter ook andere economische theorieën zoals de MMT Modern Monetary Theory (eigenlijk al lang bestaand).
Ik simplificeer erover met mijn lekenverstand
Volgens de MMT zijn het niet de Centrale Banken die geld bijdrukken maar de Staat en wel  zoveel als nodig voor zijn uitgaven.
Daardoor zijn, zo dacht ik, de monetaire politiek en de fiscale politiek in één hand.
De staat is daardoor niet meer van belasting inning afhankelijk maar van de drukpers.
Maar net als bij de huidige monetaire consensus is het grote gevaar de (hyper)inflatie.
Bij de Weimar Republiek was en is nog steeds hyperinflatie een schrikbeeld.
Zoals nu echter het rentewapen gebruikt wordt om die inflatie in toom te proberen te houden wordt bij de MMT de belastingheffing daarvoor gebruikt.
Bij een oververhitte economie en dus te hoge inflatie worden de belastingen verhoogd waardoor de economische activiteit afneemt en de inflatie daalt en bij een recessie het omgekeerde, de belastingen worden verlaagd.
Niet dus om de staatskas te spekken, want de staat drukt het geld dat zij nodig heeft zelf bij, maar om de inflatie en dus de economie in het rechte spoor te krijgen.

Bij de progressief linkse stroming in de VS is het thema MMT weer krachtig opgekomen, staat weer in de belangstelling en er wordt hevig over gediscussieerd tussen tegenstanders en voorstanders.

Dit alleen als voorbeeld dat er meerdere theorieën naast (of tegenover) elkaar kunnen bestaan.
De consensus gaat uit naar de ene maar dat zou kunnen veranderen.
Want consensus geeft geen zekerheid aan.

Maar uiteraard zijn dit weer de strikt persoonlijke overpeinzingen van een bejaarde gepensioneerde volslagen leek.
Maar het toont in ieder geval aan dat consensus geen zekerheid verschaft.
En wetenschap heeft twee gezichten, het vele weten, scholarship, en het meer willen weten, science, research.


dimanche 7 avril 2019



Gestuurd door Rekenmodellen 
op weg naar een 
Gerobotiseerde Wereld.


Chaotische gedachten pijnigen me.

Ik krijg steeds meer de indruk dat wij leven in een denkbeeldige wereld van aanpassingen, adjustments in het internationale jargon, in plaats van een wereld van waarnemingen, metingen.
Meten is weten is mij heel vroeger bijgebracht maar nu lijkt dat anders, meten is slechts het startpunt van de nieuwe werkelijkheid, die van aanpassingen van die metingen.
Wij leven in de tijd van rekenmodellen die steeds meer de werkelijkheid lijken te simuleren, in plaats van die weer te geven.

Core inflation EU maart 2019 0.8%; prijsstijgingen Nederland maart 2019 2.8%.
Beide zijn inflatie
Maar inflatie is niet zomaar inflatie.
Inflatie kan op verschillende manieren berekend worden, met daarboven nog een keuze van niet alle soorten artikelen maar van een aantal ervan om die inflatie te bepalen.
Core inflatie is de inflatie in rekenmodellen bepaald van een selectie van niet volatiele artikelen, artikelen dus die niet te veel snel van hoogte in prijs wisselen.
Bij het artikelen pakket dat voor de berekening wordt gebruikt krijgt elk nog een eigen wegingsfactor die de waarde ervan aanduidt in dat  gekozen pakket.
Daarnaast worden dan nog factoren ingebracht van seizoen invloeden en kalender invloeden op het prijsverloop.
Dat is de inflatie waarmee de ECB rekenmodellen werken.

Vandaar dat men na het boodschappen doen verbijsterd naar de kassabon kan kijken.
De supermarkt werkelijkheid spoort niet met de rekenmodellen werkelijkheid.

Datzelfde geldt voor Bruto Binnenlands Product, GDP, Gross Domestic Product.
Er is het nominale BBP, het GDP in “echte” euros uitgedrukt dus;  daarnaast het BBP aangepast voor inflatie; en dan nog het maandelijkse of kwartaal BBP ook nog aangepast aan seasonal and calendrial influences, seizoen en kalender invloeden.
Voor economische groei idem, ruwe groei, daarnaast “reële” groei aangepast aan inflatie en eventueel seizoen en kalender.
  
Ook bij de historische en courante temperatuurmetingen om klimaat veranderingen  te traceren geldt dat de ruwe thermometer (of satelliet) metingen worden aangepast, waarbij weer rekenmodellen een grote rol spelen.

De gemeten werkelijkheid of de rekenmodellen werkelijkheid.
Welke is de echte?
Het duizelt me.
Maar het bepaalt wel onze toekomst.


Een volgende chaos is de Brexit.
Brexit is niet alleen van essentieel belang voor het Verenigd Koninkrijk maar ook voor de EU en speciaal voor Nederland.

Toen de uitslag van het referendum in 2016 “leave” was en niet “remain”, en de regering had verzekerd dat zij  het referendum zou respecteren had de regering van het VK zich onmiddellijk moeten gaan voorbereiden op een volledig uitstappen uit de EU.
Handel en industrie, sociale omstandigheden, op elk gebied had GB zich moeten voorbereiden op een zelfstandig voortbestaan na de uittredingsdatum.
Het VK zou dan goed voorbereid op 29 maart j.l. zijn zelfstandig bestaan hebben kunnen beginnen.
Natuurlijk hadden bij die voorbereidingen ook onderhandelingen met de overblijvende landen van de EU moeten plaatsvinden maar alleen vanuit het perspectief van een clean break.

In plaats daarvan is het VK gaan onderhandelen met de EU niet vanuit het vooruitzicht van een totaal uittreden maar van het zoveel mogelijk behouden van de banden met de EU hetgeen het VK van het begin af aan al in de “underdog” positie heeft gedwongen.
Voorbereidingen met andere potentiele partners voor de toekomst van het VK werden nagelaten.

Waarom?
Spoorde de wens van het Britse volk wel met de wens van de regering, die van de administratie (=bureaucratie) en tenslotte die van het parlement.
Bezie de huidige wanorde.
In het parlement was, zoals nu duidelijk blijkt, er zeker geen meerderheid voor het hard uit de EU treden en bij de bureaucratie evenmin.
De regering is hopeloos verdeeld en Mrs May was in feite geen voorstander van “leave”.
Maar de regering had wel toegezegd de uitslag van het referendum te respecteren, dus leave.

Hoe softer de Brexit, dat wil zeggen hoe meer inpassing van het VK in de EU structuur (en dus regelgeving), hoe beter voor de EU en ook voor Nederland en hoe slechter voor de zelfstandigheid van het VK, hoe meer onderworpen aan de EU regelgeving maar zonder medezeggenschap erover.

In mijn overpeinzingen zou lidmaatschap van de EU, dus het terugdraaien van artikel 50, en medezeggenschap in de regelgeving ervan, te prefereren zijn boven maximaal toegeving aan die regelgeving zonder er een stem in te hebben.
Maar wat eenmaal in gang is gezet is moeilijk te stoppen en zeker moeilijk terug te draaien zonder reputatieverlies.

Nu rest het de Britse regering alleen nog om de EU nederig uitstel op uitstel te vragen om zo de onvermijdelijke keuze voor zich uit te schuiven.
De EU zal toestemmen want een hard uitstappen, een clean break, is ook voor de EU uiterst nadelig naast alle andere netelige kwesties die binnen de EU spelen.

Maar “leave” betekent toch echt eruit stappen en niet er zo dicht mogelijk tegenaan schurken,  wat nu, daar komt het woord weer, de werkelijkheid is.

Nu wordt er zelfs gesproken over een nieuw referendum, maar met welke keuzes?
Eruit/erin of kiezen tussen de vele tussenvoorstellen, alle door het parlement verworpen.
Of het uitstel gaat onbepaald lang duren, het VK moet deelnemen aan de Europese Parlementsverkiezingen, er komt een nieuwe Europese Commissie en de hele zaak kan wellicht verwateren.

En politiek gezien is het een unicum (en politieke zelfmoord  voor de Tories)  om Corbyn, de Labour Party dus, bij de onderhandelingen te betrekken om zo mogelijk met de steun van Labour, de oppositie dus,  een meerderheid in het parlement te verkrijgen voor het plan van May met een Labour sausje.
Het plan dat al drie keer door het parlement is verworpen omdat het de EU te veel macht over het VK gaf.

Volgens de Telegraph deze ochtend gaat Mrs May aan Corbyn een douane unie voorstellen. eigen handelsovereenkomsten met andere landen sluiten. is dan voor GB niet mogelijk.

Mocht dit waar zijn dan blijft  naar mijn mening alleen nog het opheffen van het vrije verkeer van personen overeind.
En dat voor het afstaan van alle zeggenschap.
Ik ben benieuwd hoer dit nu weer afloopt of vast loopt.

De Britse politiek heeft een complete puinhoop gemaakt van de wil van het volk.

En wij worden overgeleverd aan een gerobotiseerde wereld.

Maar uiteraard zijn dat alles weer de overpeinzingen van een oude gepensioneerde die met verbijstering naar de moderne binair en in de toekomst quantum gestuurde (virtuele) wereld kijkt.